“Help, mijn kind is een beelddenker!”

Verrassing: jij ook! En ik ook. En de buurman ook. Ik zal het uitleggen.

Evenwicht

We worden allemaal geboren als beelddenker. Als baby heb je immers nog geen taal, alleen beelden en associaties. En naarmate je ouder wordt, kom je steeds meer in contact met taal en leer je denken in taal. Ook leer je denken in daarmee samenhangende structuren, zoals tijd, logisch denken, analyseren, plannen, dingen op een handige volgorde doen, etc. School heeft eigenlijk als hoofdfunctie om je deze zaken te leren en is over het algemeen dan ook nogal talig ingericht: schriftelijke of mondelinge instructie, taal, spelling, tussenstappen opschrijven bij rekenen, schriftelijke toetsen, je snapt het idee.

Als het goed is heb je deze zaken aan het einde van de basisschool zover onder de knie dat beeld- en taaldenken in evenwicht zijn, waarbij je over het algemeen wel een bepaalde voorkeur ontwikkeld hebt. Je kunt dus gebruik maken van je vermogen om beeldend, creatief en divergerend te denken (dit noemen we visueel-ruimtelijk), maar kunt ook uit de voeten met taal, structuur, logica, volgordes en procedures (dit noemen we logisch-mathematisch).

Achterblijvend ‘taaldenken’

Helaas verloopt dit proces niet bij iedereen even soepel. Bij sommige kinderen komt komt het proces van ‘talig’ denken (in al zijn facetten) niet goed op gang, of blijft het achter. Er is dan niet zozeer sprake van een sterke voorkeur voor ‘beeldend’ denken, maar van een onvermogen om ‘talig’ te denken. En dat is in veel situaties (vooral op school) heel erg lastig. Het lukt dan niet om grip te krijgen op zaken, plannen gaat moeizaam, je bent altijd te laat, je kunt niet goed overbrengen wat er allemaal speelt in je hoofd. Ontzettend frustrerend. En mogelijk ga je je hierdoor ook nog ‘dom’ voelen, aangezien anderen dit allemaal wel ‘gewoon’ lijken te kunnen.

Beelddenken is geen probleem

Dit is wat mensen bedoelen als ze zeggen ‘ik ben een beelddenker’. Maar beelddenken is dus niet het probleem, dat doet iedereen in meerdere of mindere mate. Het probleem zit hem in de achterblijvende vaardigheden op het gebied van ‘talig’ denken. Wanneer dit vroegtijdig gesignaleerd wordt, is er nog veel in bij te sturen. Je bent het dan immers nog aan het leren, je hebt er alleen meer aandacht en ondersteuning bij nodig. En als ouders en leerkrachten dit weten kunnen ze een kind daarbij helpen.

Wanneer je er als puber of zelfs als volwassene pas achterkomt dat jouw ‘talig’ denken te wensen over laat, is het veel moeilijker de twee systemen nog met elkaar in evenwicht te brengen. Je hebt dan immers al een lang ingesleten patroon van denken en doen. Gelukkig kun je wel allerlei ‘trucjes’ leren om jouw sterk ontwikkelde ‘visuele’ denken in te zetten om grip te krijgen op zaken die ‘talig’ denken vereisen. Voor veel mensen is dat een opluchting: ‘ik kan het dus toch wel’!

Talige voorkeur

Natuurlijk kun je ook een sterke voorkeur voor ‘talig’ denken (logisch-mathematisch) ontwikkelen, maar dit wordt in onze maatschappij doorgaans veel minder als een probleem gezien. Behalve als je naar de kunstacademie wilt, natuurlijk, dan is het opeens wel een handicap. En bij een hele sterke voorkeur noemen ze je (onterecht) misschien wel ‘autistisch’. Maar toch, deze manier van denken past beter in onze maatschappij dan ‘creatief’ denken.

Hoogbegaafde kinderen

Het verwarrende bij hoogbegaafde kinderen is dat zij vaak wel verbaal sterk zijn, terwijl andere ‘talige’ structuren (zoals plannen, taakaanpak, etc.) mogelijk moeizaam gaan. Hierdoor is het niet zo zichtbaar dat er problemen zijn met ‘talig’ denken, het kind kan immers prima vertellen. Doorgaans denken hoogbegaafde kinderen heel ‘beeldend’ (complexe, creatieve, out-of-the-box denkprocessen), maar niet bij ieder kind is dat vervolgens voor de buitenwereld even goed waarneembaar. Zeker wanneer een kind is gaan denken dat het ‘dom’ is en ook niet meer probeert het te laten zien.

Toetsing

En bij kinderen waar ook het verbale stuk niet goed lukt, speelt dit nog veel sterker. Toetsing gebeurt immers meestal in een ‘talige’ vorm, omdat dat meetbaar is. Schriftelijke toetsen zijn moeilijk als je je stuiterende gedachten niet om kunt zetten in concrete taal, en multiple choice toetsen zijn zo mogelijk nog erger. Want als creatieve denker kun je voor iedere optie wel een argument bedenken en wat moet je dan kiezen? Als er gevraagd wordt wat er niet bijhoort bij ‘vliegtuig, trein, auto of fiets’ bedoelen ze dan ‘vliegtuig’ omdat de rest niet kan vliegen, of ‘fiets’ omdat die maar 2 wielen heeft, of ‘trein’ omdat die op een spoor rijdt of ‘auto’ omdat die op benzine rijdt? Leren-denken-als-Cito is dan een vaardigheid op zich.

Onderzoek

Zoals ik al zei is het heel fijn als mogelijke problemen met ‘talig’ denken vroeg ontdekt worden, omdat er dan nog volop bijgestuurd kan worden. Daarvoor is het Beelddenkonderzoek ontwikkeld. Dit bestaat uit een niet-verbale test aan de hand van het Wereldspel (om de denkvoorkeur op te sporen), een visuele screening (om visuele problemen uit te sluiten) en een Individueel Onderwijskundig Onderzoek om te kijken waar de problemen precies zitten. Aan de hand van deze bevindingen kunnen er dan aanpassingen gemaakt worden in didactiek en opvoeding. Hier kun je meer lezen over dit onderzoek.